Schoolondersteuningsprofiel

1. Inleiding  
   
2. Algemene gegevens  
  2.1 Contactgegevens school
  2.2 Visie school
  2.3 Kengetallen
3.Basisondersteuning  
  3.1 Vroegtijdige signalering van leer-, opgroei en opvoedproblemen
  3.2 Aanbod voor leerlingen met een stoornis
  3.3 Aanbod voor leerlingen met meer of minder dan gemiddelde intelligentie
4.Onderwijsondersteuningsstructuur  
  4.1 Functies en taakprofielen
  4.2 (Gemiddelde) groepsgrootte en beschikbare formatie
  4.3 Gecertificeerde expertise
  4.4 Beschikbare professionals van buiten de school
  4.5 Kwaliteit
  4.6 Basiskwaliteit volgens het meest recente inspectieoordeel
5. Extra ondersteuning  
   
6. Randvoorwaarden  
   
7. Conclusies en ambities  
  7.1 Visie en beleid
  7.2 Interne ondersteuningsstructuur
  7.3 Pedagogisch klimaat en veiligheid
  7.4 Handelingsbekwaamheid van het team
  7.5 Samenwerken met ouders
  7.6 Samenwerking met externe partners
8. Bijlagen  
  Bijlage 1: Protocol medicijnverstrekking
  Bijlage 2: Dyslexieprotocol
  Bijlage 3: Beleid AD(H)D, Asperger, Dyslexie, Dyscalculie, ODD-CD, PDD-NOS e.d.
  Bijlage 4: Algemene informatie over de PLUSKLAS
  Bijlage 5: Programma Kleine Kanjer Groep
  Bijlage 6: Inventarisatie schoolstandaarden
9. Download  
1. Inleiding
Profi Pendi is het samenwerkingsverband (SWV) voor primair onderwijs en is ontstaan als gevolg van de wet Passend Onderwijs. Het bestaat uit 18 deelnemende besturen van 79 scholen, waarvan 4 SBO scholen en 1 SO school in de regio Houten, Lopik, Nieuwegein, Vianen en IJsselstein. Zoals de naam Profi (passend) Pendi (samen) al aangeeft, zorgen we met elkaar en met ouders dat elk van de 18.000 leerlingen een zo passend mogelijk onderwijsaanbod krijgt.
 
De opdracht van Profi Pendi is als volgt: kinderen moeten zich op school optimaal kunnen ontwikkelen, dichtbij huis. Ouders zijn daarbij altijd betrokken. Het samenwerkingsverband moet zorgen voor een netwerk van ondersteuningsmogelijkheden rondom de kinderen, de scholen en eventueel de ouders. Dat vraagt een grote mate van samenwerking met organisaties die ook rondom het kind, de school en het gezin ondersteuning verzorgen. Denk aan Centra voor Jeugd en Gezin en de jeugdgezondheidszorg. De school en de ouders regelen het vooral samen. Alle regels en procedures van Profi Pendi staan beschreven in het Schoolondersteuningsplan.
 
De scholen hebben de opdracht gekregen om een schoolondersteuningsprofiel (SOP) op te stellen. Het is een verantwoordingsdocument en een planningsdocument. Het beschrijft zowel de bestaande situatie, de bereikte resultaten als de beoogde doelen met betrekking tot de ondersteuning van alle leerlingen bij ons op school. 
De schoolbeschrijving brengt de eigen schoolsituatie, zowel kwalitatief als kwantitatief, in beeld. Het geeft informatie over de leerlingen, het team, het beschikbare budget en formatie, het onderwijs, de ondersteuningsbehoefte en –mogelijkheden.
Doel van het SOP is ouders en andere belangstellenden te informeren over de (on)mogelijkheden van de school. Ook dient het SOP als basis voor het professionaliseringsbeleid. Tenslotte geeft het zicht op de plek van de school binnen het SWV en de mogelijkheden voor interne en externe ondersteuningsmogelijkheden.
Omdat de feitelijke situatie tijdens het schooljaar zal veranderen, gaan we nu uit van een verwachte situatie aan het begin van het schooljaar 2014-2015 op 1 oktober 2014.
naar boven >>>
2. Algemene gegevens
2.1  Contactgegevens school
Adres:  KBS De Ark, Sint Petersburglaan 25, 3404 CV IJsselstein
Telefoonnummer: 030-6874104
E-mail adres:     directie@kbsdeark.nl
Brin:     25 KJ
Website:   www.arkschool.nl
Naam directeur:   Marion Scholman
Naam locatieleider:   Esther van der Knaap
Naam intern begeleiders: Marian Steinmann, Bien Voorbij en Monique van Doorn
 
Adres:  KBS De Ark van Noach, Aalbersestraat 2, 3404 JS IJsselstein
Telefoonnummer: 030-6880997
E-mail adres: directie@kbsdearkvannoach.nl
Brin: 27 XF
Website:   www.arkschool.nl
Naam directeur:   Marion Scholman
Naam locatieleider: Martijn Steur
Naam intern begeleiders:  Marian Steinmann, Bien Voorbij en Monique van Doorn
 
naar boven >>> 
2.2  Visie school
Groeien vanuit vertrouwen
op een betekenisvolle manier
 
De Ark en de Ark van Noach zijn twee samenwerkende katholieke basisscholen in de wijk Zenderpark in IJsselstein en maken onderdeel uit van de scholenstichting Trinamiek.
Bij ons staat de GROEI centraal, zowel bij de leerlingen als in ons lerarenteam. We spelen in op nieuwe ontwikkelingen in de samenleving en we zijn ons ervan bewust dat ieder kind op zijn eigen manier en in zijn eigen tempo leert.  Wij willen kinderen een fijne schooltijd bieden. Een schooltijd waarin zij alle ruimte krijgen om te groeien, zowel in kennis als in sociale vaardigheden. De kinderen ontwikkelen kwaliteiten en eigenschappen die hen in de rest van het lerende en werkende leven van pas kunnen komen. Wij begeleiden en onderwijzen onze leerlingen in alle groepen op dezelfde manier en baseren ons daarbij op drie belangrijke principes:
Groeien in kennis
Ieder kind is uniek en beschikt over zijn eigen leercapaciteiten. Wij proberen onze leerlingen zoveel mogelijk tot bloei te laten komen door ze op hun eigen leeftijds- en begripsniveau te onderwijzen en te begeleiden. Dit doen we door de kinderen vanaf groep 3 bij verschillende vakgebieden in drie verschillende niveaugroepen te begeleiden. Na een korte directe instructie gaan kinderen uit de basisgroep zelfstandig aan de slag met oefeningen op hun niveau. Kinderen die meer uitleg nodig hebben, krijgen gezamenlijk een verlengde instructie van de leerkracht. Kinderen die bovengemiddeld presteren in het betreffende vak krijgen het werk in compacte vorm aangeboden en daarna krijgen ze verbredende en verdiepende opdrachten.  
Hoogbegaafde kinderen komen één ochtend per week 1,5 uur bij elkaar in de plusklas.
Ons onderwijs is dynamisch en uitdagend doordat we optimaal gebruik maken van de nieuwste lesmethodes en ICT materialen.
 
Betekenisvol
In groep 1 en 2 creëren we een betekenisvolle leeromgeving voor de kinderen door in te spelen op hun eindeloze fantasie rondom thema’s uit de methodiek van Kleuterplein. Begeleid door onze leerkrachten en knuffeldier Raai de Kraai ontdekken de kleuters de wereld om zich heen. Ook het klaslokaal wordt hier zoveel mogelijk op ingericht. Zo wordt spelenderwijs in context aan alle ontwikkelingsgebieden van de kinderen gewerkt.
 
Door de hele school begeleiden we de kinderen in het ‘Leren leren’, als voorbereiding op de informatiemaatschappij. Kinderen groeien op in een dynamische, open wereld. Een wereld waarin kennis, informatie en sociale media via internet voor iedereen vindbaar en toegankelijk zijn. Wij zijn ervan overtuigd dat het op een juiste manier verwerken van deze overvloed aan informatie en impulsen belangrijke vaardigheden voor de toekomst zijn. We leren de kinderen bijvoorbeeld zelfstandig te werken, plannen, hoofd- van bijzaken te onderscheiden en goed samen te vatten.
Daarnaast laten we de leerlingen meedenken met ontwikkelingen op school, o.a. in de leerlingenraad. Zo is bijvoorbeeld het idee van je inzetten voor het goede doel in de leerlingenraad ontstaan.
 
Groeien vanuit vertrouwen
Wij vinden het belangrijk dat kinderen positief over zichzelf en anderen denken en op een fatsoenlijke en respectvolle manier met elkaar omgaan. Daarom besteden we in alle groepen expliciet en geïntegreerd aandacht aan de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Dit doen we door middel van de Kanjertraining. We leren de kinderen op een positieve en speelse manier om bijvoorbeeld complimentjes te geven en te ontvangen, zich te presenteren en op een goede manier voor zichzelf op te komen. Ook in het contact met ouders verwachten we een respectvolle manier van communicatie.
De Kanjertraining is niet alleen een apart vak maar komt tot uitdrukking in ons hele handelen. Tijdens de Kanjertraining gebruiken we onder andere verhalen, praktijkoefeningen en werkboeken met opdrachten. We onderwijzen dit vak aan de hand van actuele onderwerpen, zoals Facebook en pesten.
Bij de Kanjertraining maken we gebruik van vier dierfiguren, die symbool staan voor bepaalde gedragsvormen. Het belangrijkste uitgangspunt van de Kanjertraining is dat alle kinderen goed zijn zoals ze zijn en dat we zoeken naar oplossingen die goed zijn voor alle partijen. Bij ongewenst gedrag wordt nadrukkelijk alleen het gedrag afgekeurd, maar nooit het kind zelf.
 
Aan het eind van de basisschool zien wij dat alle kinderen een grote groei hebben doorgemaakt op het gebied van kennis  en zelfstandigheid. Als ze afscheid nemen van onze school gaan ze als echte Kanjers de toekomst tegemoet!
naar boven >>>
2.3  Kengetallen.
Aantal leerlingen en gewichtenregeling
Hier worden de leerlingpopulatie en de leerling totalen van de scholen beschreven.
 
De Ark




De Ark van Noach

Aantal VVE-leerlingen
In onderstaand schema ziet u het aantal VVE leerlingen dat wij op school hebben van de afgelopen 4 jaar.
 
Jaartaal
 
2010-2011
 
2011-2012
 
2012-2013
 
2013-2014
 
Aantal VVE
kinderen
9 kinderen 12 kinderen 10 kinderen 9 kinderen
 
Uitstroomgegevens
Op basis van de resultaten van ons CITO leerlingvolgsysteem, de methodetoetsen en de indruk die we verkrijgen van de leerling op het gebied van werkhouding, doorzettingsvermogen, taakgerichtheid en de mate van zelfstandigheid, wordt door de leerkrachten, in overleg met de intern begeleider, een advies voor het voortgezet onderwijs vastgesteld. Eind groep 7 zal de leerkracht in een gesprek reeds een pré-advies afgeven. Dit advies zal de ouder een eerste richtlijn geven aan welk niveau gedacht moet worden bij de schoolkeuze van het kind. In groep 8 zal de leerkracht in de maand november dit pré-advies verder concretiseren. Uiteindelijk zal in januari of februari een definitief advies gegeven worden.
 
Onze school scoort boven het landelijk gemiddelde op de CITO-eindtoets. Hieronder staat een overzicht van de uitstroom van de leerlingen naar de verschillende typen voor voortgezet onderwijs van de afgelopen 4 jaar van beide scholen.

Diversiteit quotiënt
In het overzicht wordt de diversiteitomvang van de leerlingpopulatie van de school weergegeven. Dit overzicht is ingevuld in het schooljaar 2011-2012 en is 4 jaar geldig.
Het totaal aantal leerlingen per leerjaar en de school wordt aangegeven in de eerste regel
“Totaal aantal leerlingen”.
De leerlingen worden vervolgens verdeeld over vier categorieën, deze zijn:
  1. Leerlingen met een onderwijsvraag, geen noemenswaardige problemen.
  2. Leerlingen met een speciale onderwijsvraag, geen rugzak maar ze zijn wel extern gediagnosticeerd.
  3. Leerlingen met een SBO – indicatie. Ze hebben een beschikking gekregen door de PCL.
  4. Leerlingen met een  SO – indicatie. Ze zijn geïndiceerd door de CvI en hebben een rugzak.
 
Elke leerling kan slechts eenmaal in één van de categorieën voorkomen.
Op basis van deze gegevens worden het diversiteitquotiënt en profiel vastgesteld.
Een score van 1 of minder betekent een standaard diversiteit of minder.
Is een score 1,2 of hoger dan is er sprake is van een verhoogde mate van diversiteit, zodat extra ondersteuning noodzakelijk kan zijn.
 Diversiteitomvang van: groepen 1 tot en met 3
 

Uitsplitsing per groep voor leerlingen met diverse onderwijs -zorgvragen.

 
Diversiteitomvang van: groepen 4 en 5

 
Uitsplitsing per groep voor leerlingen met diverse onderwijs -zorgvragen.

 
Diversiteitomvang van: groepen 6 t/m 8

Uitsplitsing per groep voor leerlingen met diverse onderwijs -zorgvragen.
1.  Leerlingen met een onderwijsvraag, geen noemenswaardige problemen.
naar boven >>>
3. Basisondersteuning
 Kinderen moeten onderwijs krijgen dat bij hen past. Alle scholen bieden een basis onderwijsaanbod, daar hoort ook ondersteuning bij. De leerkrachten zullen ondersteuning moeten bieden aan kinderen die wat extra's nodig hebben. Er moeten keuzes gemaakt worden wat betreft de mogelijkheden in de groep en in de school. Deze afspraken en werkwijze zijn continu aan verandering onderhevig. Als school blijven we investeren in het professionaliseren van de leerkrachten om steeds meer zelf, in de school, te kunnen doen aan preventieve en licht curatieve interventies 
3.1 Vroegtijdige signalering van leer-, opgroei- en opvoedproblemen
Op school zitten kinderen met uiteenlopende behoeften en mogelijkheden. Een voorwaarde is dat het schoolgebouw goed toegankelijk is voor minder valide mensen. Onze beide scholen beschikken over een lift en een invalidetoilet.
Daarbij is er op stichtingsniveau een protocol ‘Medische handelingen’ aanwezig dat wij als school hanteren (bijlage 1).
 
Tijdens de schoolloopbaan wordt de ontwikkeling van de leerlingen gevolgd op cognitief gebied (verschillende vakgebieden), maar ook de sociaal-emotionele ontwikkeling en de wijze waarop de leerlingen in staat zijn om te ‘leren’ wordt gevolgd.
naar boven >>>
3.1.1    Cognitief gebied
Ontwikkelingvolgmodel Memelink (OVM)
Binnen de groepen 1 en 2 wordt gebruik gemaakt van de leerlijnen, zoals beschreven in het ontwikkelingvolgmodel van Dick Memelink. De leerkrachten houden de ontwikkeling, het leerproces en het onderwijsaanbod van kleuters bij en maakt het mogelijk de lesplanning hierop af te stemmen. Drie keer per jaar wordt er per leerling gekeken, door middel van observaties, of de ontwikkeling op, onder of boven niveau verloopt.
 
Methodegebonden toetsen
Vanaf groep 3 worden de verschillende vakgebieden gewaardeerd op basis van de methodetoetsen en observaties. De methodetoetsen controleren na ieder onderdeel (hoofdstuk, blok, thema) in welke mate de leerling de aangeboden kennis en vaardigheden uit de methode (op korte termijn) beheerst.
 
Cito-toetsen
De Cito-toetsen zijn onafhankelijke toetsen die landelijk genormeerd zijn. Deze toetsen  hebben tot doel de mate van beheersing van de leerstof over een langere periode te meten. De scores die het kind op deze toetsen behaalt, worden vergeleken met het landelijk gemiddelde van leerlingen in dezelfde leeftijdscategorie. De scores op deze toetsen kunnen afwijken van de methodetoetsen.
Vanaf groep 2 worden ze elk halfjaar opgenomen in de toetskalender. In groep 8 wordt de basisschoolperiode afgesloten met de Centrale Eindtoets (college voor toetsen en examens CvTE).
 
 
Verschillen tussen een Cito- en methodetoets
Er kan een verschil bestaan in het resultaat tussen de Cito- en methodetoetsen. Het verschil in resultaat kan van alles betekenen. Een groot verschil is voor de leerkracht reden om nader onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door de antwoorden te bekijken of in gesprek te gaan met de leerling. Tevens kan de uitslag vergeleken worden met eerdere toetsen, omdat er misschien sprake is van een incident.
 
Er zijn drie belangrijke verschillen tussen een CITOtoets en een methodetoets:
1. De Cito-toetsen meten een vaardigheid als geheel, een methodetoets meet (onderdelen van) vaardigheden die net aan bod zijn geweest. Methodetoetsen zijn veelal beheersingstoetsen. Cito-toetsen zijn vaardigheidstoetsen. Een Cito-toets bevat opgaven van uiteenlopende moeilijkheidsgraad. Dat zijn niet alleen opgaven passend bij de groep waarin de leerlingen zitten, maar ook opgaven die beduidend moeilijker of makkelijker zijn. Zo komen verschillen tussen leerlingen naar voren en wordt ook duidelijk welke leerlingen wat extra’s aankunnen.
2.Cito-toetsen zijn landelijk genormeerd, een methodetoets heeft doorgaans geen landelijke vergelijkingsnorm. Bij een methodetoets formuleert de methode zelf haar richtlijnen, bijvoorbeeld dat de beheersing voldoende is als acht van de tien vragen goed zijn gemaakt. De Cito-toetsen worden voor de uitgave bij een grote representatieve groep leerlingen afgenomen om zo de landelijke verdeling van de scores vast te stellen. De toets uitslagen geven een beeld hoe een leerling scoort ten opzichte van leeftijdgenoten. De mogelijke uitstroom naar het voortgezet onderwijs kan hierdoor mede bepaald worden.
3. De methodetoets helpt de leerkracht en de leerling om in te schatten welke aangeboden kennis en vaardigheid wel of niet beheerst wordt. De methodetoets toetst alle onderdelen van het onderwijsprogramma en diagnosticeert welke extra ondersteuning of uitdaging wenselijk is.
naar boven >>>
 
3.1.2    Sociaal-emotioneel gebied
In onze school proberen we een pedagogisch klimaat te scheppen waarin we kinderen accepteren zoals ze zijn: jonge mensen met een eigen, zich ontwikkelende persoonlijkheid. We willen de kinderen de ruimte geven en de mogelijkheden bieden voor hun eigen, unieke ontwikkeling.
Voorwaarden om goed te kunnen functioneren zijn: je thuis voelen, je prettig, veilig en geborgen voelen. Er moet een basis zijn van wederzijds respect en vertrouwen.
We begeleiden onze kinderen in alle klassen hierin eenduidig, middels de Kanjertraining. De Kanjertraining is gericht op het creëren en behouden van een positief pedagogisch klimaat in de klas en op de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Het groepsgebeuren staat hierbij centraal en natuurlijk de rol die iedereen daarin speelt. Het doel van de training is dat kinderen leren op een goede manier met zichzelf om te gaan en met een ander. De Kanjertraining kent vijf uitgangspunten: we vertrouwen elkaar, we helpen elkaar, niemand speelt de baas, niemand lacht uit, niemand doet zielig. De uiteenzetting wordt aangevuld met ervaringen uit de dagelijkse praktijk, en thema’s zoals die in de Kanjerboeken zijn uitgewerkt.
De Kanjerlessen gaan uit van de positieve eigenheid van het kind, dat het verlangen heeft om goed te doen. Er wordt in de lessen gebruik gemaakt van vier gedragstypen. De Kanjertijger (witte pet), de Vlerk (zwarte pet), de Aap (rode pet) en het Konijn (gele pet). Kinderen gedragen zich, evenals volwassenen, verschillend in verschillende situaties. Je bent dus geen gedragstypetje, maar je gedraagt je als de Kanjer, Konijn, Aap of Vlerk. Daarbij is de Kanjertraining contextueel van aard. Dat wil zeggen: De Kanjertraining richt zich op de school, de ouders, de sportvereniging en de kinderen. Zo krijgt de omgang en communicatie met ouders ook aandacht binnen de Kanjertraining.
 
Daarnaast kent de Kanjertraining nog een leerlingvolgsysteem waarin de sociale verhoudingen en gedragingen van de klas geregistreerd worden.
We hebben ons in schooljaar 2011-2012 met het hele team geschoold in de aanpak van de Kanjertraining. Met als resultaat een certificering: De Ark (van Noach) is een Kanjerschool!
naar boven >>>
3.1.3    ‘Leren Leren’
Tijdens de schoolloopbaan van de leerlingen wordt aandacht besteed aan de manier van leren. Hierbij wordt onder andere gelet op de werkhouding, het doorzettingsvermogen, de taakgerichtheid en de mate van zelfstandigheid van de leerlingen. Vanaf het schooljaar 2014-2015 is de leerlijn ‘leren leren’ één van de pijlers binnen het onderwijsaanbod van de school. De wijze van ontwikkeling zal dan ook getoetst worden aan de hand van deze leerlijn.
naar boven >>>
3.2 Aanbod voor leerlingen met een stoornis
Wij hebben als school een document opgesteld waarin we uitleggen welke compenserende en dispenserende maatregelen we nemen bij een bepaalde stoornis.
Voor dyslexie hebben we nog een apart stuk opgesteld dat gebaseerd is op het Protocol Leesproblemen en dyslexie van het expertise centrum Nederlands. Hierin staat omschreven wat dyslexie is en welke begeleiding u van ons als school kunt verwachten.
In bijlage 2 kunt u het dyslexieprotocol vinden en in bijlage 3 het document beleid diverse stoornissen.
naar boven >>>
3.3 Aanbod voor leerlingen met meer of minder dan gemiddelde intelligentie
Adaptief onderrichten:                                                                                                            
Wij willen de kinderen de basisvaardigheden volgens de kerndoelen aanleren. Van groep 1 tot en met 8 is er een doorgaande lijn in de ontwikkeling van de kinderen, dus zonder te grote sprongen. Snelle leerlingen dienen anders te worden begeleid dan de kinderen die er wat meer tijd voor nodig hebben. Daarvoor werken wij op veel vakgebieden in 4 verschillende niveaugroepen:
  1. De instructieafhankelijke kinderen:
    Deze kinderen hebben veel begeleiding van de leerkracht nodig. Zij komen vóór een instructie (pre-teaching) of na de gezamenlijke instructie bij de leerkracht. Ze zitten dan rond de daarvoor bestemde instructietafel en krijgen op deze manier extra of aangepaste instructie, begeleide inoefening en meer directe feedback op hun handelen. Hierdoor kunnen ze het niveau van de groep blijven volgen.
  2. De instructiegevoelige kinderen (basisgroep):
    Dit is het merendeel van de kinderen uit de groep. Zij hebben voldoende aan een korte instructie. Op school geven we les volgens het directe instructiemodel. Dit model kent 7 fasen:
klaarover Fase 1: Terugblik
Samenvatting van voorafgaande stof, bespreken van het werk, benodigde voorkennis ophalen en  indien nodig de voorkennis opnieuw ophalen.
  Fase 2 : Oriëntatie
Presenteer onderwerp van de les, relateer de les aan voorgaande of komende lessen en geef de lesdoelen aan.
  Fase 3: Uitleg
Onderwijs in kleine stappen, gebruik heldere taal, geef concrete voorbeelden, doe vaardigheid voor, anticipeer op moeilijkheden, speel vragen van leerlingen terug naar de groep, vergroot stapsgewijs de moeilijkheidsgraad, geef een samenvatting van de hoofdzaken.
  Fase 4: Begeleide oefening
Laat leerlingen oefenen, geef korte duidelijke opdrachten, stel veel vragen, zorg dat leerlingen betrokken blijven, zorg voor hoge successcores, ga door met oefenen tot de leerlingen de stof onder de knie hebben, verminder geleidelijk de ondersteuning en maak gebruik van leerlingen die elkaar onderwijzen.
  Fase 5: Zelfstandige verwerking
Zorg dat leerlingen direct kunnen beginnen, zorg voor een ononderbroken oefenfase, stimuleer leerlingen zelf op zoek te gaan naar oplossingen, laat leerlingen elkaar helpen, controleer het werk, laat leerlingen in kleine groepjes werken, geef extra instructie aan zwakkere leerlingen en verrijkingsstof aan goed presterende leerlingen.
  Fase 6 : Toets en transfer
Laat leerlingen vertellen wat goed ging, niet goed ging en wat ze de volgende keer anders gaan doen, controleer of het lesdoel bereikt is en laat de leerlingen zelf het leerproces evalueren, stel veel vragen.
  Fase 7: Terug- en vooruitblik
Plaats de les in de context van een lessenreeks en geef aan waar de volgende les over zal gaan en gedrag
 
  1. De instructieonafhankelijke kinderen:
    Deze kinderen hebben weinig (tot geen) instructie van de leerkracht nodig. Zij zullen de begeleide inoefening niet nodig hebben en kunnen dus alvast beginnen aan de verwerkingsstof. Vaak maken deze kinderen de compact route uit de methoden. Dit betekent dat zij alleen de lesstof maken die nieuw is. De herhaling van de lesstof kunnen zij overslaan. In plaats daarvan maken zij de uitbreidings- en verrijkingsopdrachten uit de methoden
  2. Overig: specifieke zorg aan bepaalde leerlingen:
    Incidenteel is er een kind dat een geheel of gedeeltelijk eigen programma volgt. Hij of zij krijgt leerstof die past bij de onderwijsbehoeften: leerstof terugpakken uit het voorgaande leerjaar (eigen leerlijn), extra werk uit de Plusklas of oefeningen vanuit de leerlingbegeleider.
naar boven >>>
4. Onderwijsondersteuningsstructuur
4.1 Functies en taakprofielen
De organisatie en dagelijkse leiding van de beide scholen zijn in handen van één managementteam. Het managementteam bestaat uit twee directeuren, twee locatieleiders en drie bouwcoördinatoren. De directie draagt de eindverantwoordelijkheid voor de scholen. Samen met de bouwcoördinatoren volgen en bespreken zij de ontwikkelingen van de school. De locatieleiders zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding van de scholen. De bouwcoördinatoren zorgen voor de aansturing van de verschillende bouwgroepen (groep 1 en 2, groep 3 en 4 en groep 5 t/m 8). Zij zorgen voor onderlinge afstemming op zowel inhoudelijk als organisatorisch gebied.
 
Leerkrachten staan met veel plezier voor de klas en begeleiden de kinderen dagelijks bij hun cognitieve (kennis) en sociaal-emotionele groei. Zij worden hierbij ondersteund door onze interne begeleiders, leerlingbegeleiders, onderwijsassistent, administratieve medewerkers en conciërge
De interne begeleiders:
Zij ondersteunen de leerkrachten in het onderwijsproces en bij oudergesprekken. Samen met de leerkracht bekijken ze hoe er zo goed mogelijk inhoud gegeven kan worden aan de begeleiding van de kinderen en aan het invullen van hun  onderwijsbehoeften. Ze volgen ook de doorgaande lijn van de leerlingen gedurende een aantal jaren en de ontwikkelingen van de groep als geheel.
Leerlingbegeleiders:
Dit zijn leerkrachten die bepaalde leerlingen met een speciale ondersteuningsvraag helpen in hun ontwikkeling. Deze begeleiding vindt vaak buiten de groep plaats in kleine groepjes of individueel. Zo zijn er leerkrachten die een kleine groep kinderen begeleiden in hun sociaal emotionele ontwikkeling, de plusklas of de VVE-groep. Er is ook een leerlingbegeleider op school aanwezig die 1-op-1 begeleiding verzorgt voor leerlingen met een speciale ondersteuningsvraag (o.a. de vroegere rugzakleerlingen).
Onderwijsassistent:
Op school hebben wij een onderwijsassistent. Zij ondersteunt de leerkrachten die voor een klas staan waarvan de groep een grote ondersteuningsbehoefte kent. Zij is op vaste tijden in de groep aanwezig om de kinderen te begeleiden in hun ondersteuningsvraag.
Administratieve medewerkers:
We hebben verschillende administratieve krachten in dienst. We hebben een administratieve kracht die verantwoordelijk is voor de leerling administratie en twee administratieve krachten die ondersteunende werkzaamheden voor het gehele team verzorgen en de mensen aan de telefoon en aan de deur te woord staan.
Conciërge:
Er is één man in dienst die mede verantwoordelijk is voor het onderhoud en het beheer van de gebouwen. Hij wordt ook regelmatig ingeschakeld voor allerlei klussen in en rond de klas. 
naar boven >>>
4.2 (Gemiddelde) Groepsgrootte en beschikbare formatie
In onderstaand schema wordt de beschikbare formatie en de gemiddelde groepsgrootte weergegeven van de afgelopen 4 jaar:
Uitstroom VO schooltype
(in percentages)
2011-2012 2012-2013 2013-2014 2014-2015
  Ark Noach Ark Noach Ark Noach Ark
 
Noach
FPE 15,00 30,24 14,59 29,56 13,98 28,9 13,56 26,37
Aantal groepen 11 25 11 24 11 24 10,5 22
Aantal leerlingen 260 573 260 570 256 568 260 525
Gemiddelde groepsgrootte 23,6 22,9 23,6 23,8 23,3 23,7 24,8 23,9
naar boven >>>  
4.3  Gecertificeerde expertise
Wij zijn een lerende school bestaande uit een team van ongeveer 60 betrokken medewerkers. We vinden het belangrijk dat we blijvend investeren in onze eigen groei en ons onderling vertrouwen. We besteden veel tijd en aandacht aan de ontwikkeling van medewerkers, organiseren we met regelmaat teamdagen en volgen we gezamenlijk studie trainingsdagen bij verschillende expertisecentra. Inmiddels hebben we verschillende specialisten in ons team die een belangrijke rol vervullen bij de schoolontwikkelingen. Hieronder een overzicht van de verschillende gecertificeerde werknemers per taak/functie bij ons op school.
Taak/Functie Bezetting
Management:
 
2 directieleden.
2 bouwcoördinatoren.
1 locatieleider
 
Ondersteuningsteam
 
3 intern begeleiders
Sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag/werkhouding:
 
Alle teamleden van de Ark en de Ark van Noach zijn gecertificeerd kanjertrainer.
2 coördinatoren gedrag
4 teamleden zijn gecertificeerd begeleider Taakspel
1 teamlid Kids Skills
Hoogbegaafdheid
 
2 teamleden zijn gecertificeerd talentbegeleider basisonderwijs
 
Rekenen:
 
2 Rekencoördinatoren
 
Taal:
 
2 taalcoördinatoren
 
Leerkracht specialisatie:
 
???
 
naar boven >>>  
4.4 Beschikbare professionals van buiten de school.
Voor een overzicht van hulpverleningsinstanties kan men door middel van de link van SBO de Wenteltrap terecht: http://www.sbodewenteltrap.nl/main.php?id=257372&real_id=257372
De lijst wordt actueel  gehouden door het OPDC van De Wenteltrap. Voor meer specifieke vragen ten aanzien van hulpverlenende instantie kan men terecht bij de ambulant begeleiders van  het OPDC of de intern begeleiders van de school. Zij hebben nog meer informatie over particuliere instanties. 
naar boven >>>
4.5 Kwaliteit
Om de kwaliteit van onze school te garanderen en waar nodig te verbeteren, moeten we zicht hebben op alle aspecten ervan. Het meten van gegevens op zich is echter nog geen kwaliteitszorg. We realiseren ons dat we de gegevens moeten analyseren en interpreteren verbeteringen moeten plannen en realiseren, en na verloop van tijd opnieuw moeten meten.
De kwaliteitszorg van onze school is daarom en cyclisch proces, waarbij wij gebruik maken van de PDCA-cirkel of cirkel van Deming. Het inspectierapport, de tevredenheid enquête en de resultaten uit het Parnassys leerlingvolgsysteem, vormen het beginpunt van de cirkel. Op basis van deze gegevens wordt een plan gemaakt voor de komende periode. Nadat het plan is uitgevoerd, wordt een evaluatie gehouden en worden zo nodig nieuwe afspraken gemaakt. Na het doorlopen van de hele cirkel zorgen we dat de bereikte doelen geborgd worden.
De PDCA-cirkel kan worden gecombineerd met het INK-management model. Daardoor wordt duidelijk welke aandachtsvelden centraal staan in de fasen Plan, Do, Check en Act.

Het onderstaande schema brengt het hele cyclische proces rond kwaliteitszorg in beeld. Hier is ook zichtbaar dat kwaliteitszorg niet compleet is zonder borging.

De instrumenten om informatie te verzamelen worden cyclisch ingezet. De instrumenten worden in de volgende jaren ingezet (na 4 jaar start de cyclus opnieuw):
 
Instrument\jaar van afname
 
 
2011-2012
 
2012-2013
 
2013-2014
 
2014-2015
Kwaliteitsvragenlijsten        
Personeelsvragenlijst   X   X
Oudervragenlijst   X   X
Leerlingenvragenlijst   X   X
POP gesprekken met leraren door MT X X X X
Functioneringsgesprek directeur X X   X
Beoordelingsgesprek directeur     x  
Klassenbezoeken X X X X
Bezoek inspectie/digitale vragenlijst X X X X
CITO / Memelink /Kanjer etc. X X X X
Methodegebonden toetsen X X X X
Resultaten voortgezet onderwijs X X X  
RIE       X

Op basis van de resultaten zullen we plannen wanneer we welke onderdelen verder uitgewerkt worden. De stappen die we willen zetten nemen we op in onze meerjarenplanning.
naar boven >>>
4.6 Basiskwaliteit volgens het meest recente inspectieoordeel
Voor het meest recente oordeel van de inspectie verwijzen we naar de site van de inspectie: http://www.onderwijsinspectie.nl/onderwijs/Primair+onderwijs
De Ark:                             Brin 25KJ
De Ark van Noach:    Brin 27XF
naar boven >>>
5. Extra ondersteuning
Wij werken als school nauw samen met allerlei externe deskundigen die onze leerlingen begeleiden in hun ontwikkeling. Dit gebeurt soms onder schooltijd, maar ook vaak na schooltijd. Voorbeelden van begeleiders die regelmatig bij ons op school aanwezig zijn:  
Daarnaast kent onze school een aantal extra ondersteuningsarrangementen, die voor een kleine groep kinderen of voor kinderen individueel structureel onderdeel uitmaken van het onderwijsaanbod van de school en ook gegeven worden door leerkrachten vanuit ons team.
VVE
Deskundigheid Onderbouwleerkrachten hebben scholing gevolgd en houden zich blijvend op de hoogte van nieuwe inzichten
Aandacht en Tijd Er is één keer per week een tutor vrijgemaakt voor pre-teaching
Voorzieningen Programma’s Methodieken Er wordt gewerkt met “Kleuterplein”, de thema’s en lesstof zijn afgestemd op het programma van de groep
Schoolgebouw Voor de tutorgroepjes is een rustige aantrekkelijke ruimte beschikbaar.
Samenwerking ouders Ouders volgen het ouderprogramma
Samenwerking  externe ondersteuners Er vindt overdracht plaats bij de overgang van voorschoolse instellingen naar de basisschool.
 
Plusklas (werkwijze plusklas: bijlage 4)
Deskundigheid De plusklasbegeleider is een gecertificeerde talentcoach. Zij participeert in een intervisiegroep binnen het bestuur om nieuwe ontwikkelingen bij te houden.
Aandacht en Tijd Eén keer per week komt een plusklasgroep anderhalf uur bij elkaar.
Voorzieningen
Programma’s en methodieken
 
De kinderen werken uit het Vooruitwerk labboek aan een gezamenlijke opdracht en aan een eigen project volgens het TASC-model.
Verder worden er denkvragen gesteld aan de hand van denksleutels en filosofische stellingen.
Schoolgebouw De plusklas heeft de beschikking over een lokaal en een laptopkar.
Samenwerking ouders De ouders worden op de hoogte gehouden van de vorderingen van hun kind in de plusklas door een inlegvel in het rapport en tijdens de rapportavonden.
Samenwerking  externe ondersteuners Incidenteel kan een externe deskundige uitgenodigd worden om gastlessen te geven.
 
Leerlingbegeleider voor leerlingen met een specifieke ondersteuningsvraag
Deskundigheid De leerlingbegeleider heeft haar Speciaal Onderwijs diploma.
Aandacht en Tijd Twee keer per week komt de leerling ongeveer 30/45 minuten bij de leerlingbegeleider.
Voorzieningen
Programma’s en methodieken
De leerling werkt samen met de leerlingbegeleider aan de ontwikkelingsdoelen opgesteld in een Persoonlijk Ontwikkelingsplan
Schoolgebouw De begeleiding vindt plaats in een aparte ruimte of in de klas.
Samenwerking ouders De ouders worden op de hoogte gehouden van de vorderingen van hun kind in een zogenaamd grootoverleg. Hierbij neemt ook de ambulant begeleider van de REC school deel.
Samenwerking  externe ondersteuners Regelmatig is er overleg met de toegewezen ambulante begeleider vanuit de REC school of begeleiders vanuit het OPDC
 
Kleine Kanjergroep (Programma Kleine Kanjergroep: bijlage 5)
Deskundigheid De Kleine kanjergroep wordt gegeven door de Kanjercoördinator. Zij is gecertificeerd SOVA begeleider en volgt het opleidingsprogramma van de Kanjertraining.
Aandacht en Tijd De kinderen die het programma van de Kleine Kanjertraining volgen komen 8 keer bij elkaar. Iedere sessie duurt ongeveer anderhalf uur.
Voorzieningen
Programma’s en methodieken
Het programma is gebaseerd op de inhoud van de Kanjerlessen uit de groep en kent verschillende thema’s die in de kleine groep worden uitgediept. Kinderen spelen situaties na en vertellen elkaar wat ze in de praktijk ervaren.
Schoolgebouw De Kleine Kanjergroep heeft de beschikking over een lokaal.
Samenwerking ouders De ouders komen twee keer op gesprek: voorafgaand aan het programma en na afloop.
Samenwerking  externe ondersteuners De Kanjercoördinator werkt nauw samen met het team van het instituut van de Kanjertraining.
naar boven >>>
6. Randvoorwaarden
De Ark (van Noach) staat open voor alle kinderen. Een school is dé plek om kinderen de beperkingen en de betrekkelijkheid ervan te leren kennen. Bij de afweging om kinderen aan te nemen staat het belang van het kind centraal.
De school zal bij ieder individu een afweging maken of het verantwoord is om de leerling te onderrichten bij ons op school. Mochten wij tot de conclusie gekomen zijn dat de leerling op een andere school binnen ons samenwerkingsverband beter tot zijn recht komt, zullen wij dit gesprek met de ouders aangaan.
 
De volgende overwegingen zullen meegenomen worden in het besluit en worden per jaar bekeken:
naar boven >>>
7. Conclusies en ambities
In de praktijk zijn we als school al grotendeels gewend om volgens de standaard van passend onderwijs te werken, maar er zijn ook nog een aantal aandachtspunten te benoemen. In dit hoofdstuk willen we u een inkijk geven in de standaarden die er zijn, op welke manier wij hier reeds invulling aan geven, en waar onze ambities liggen.
 
De standaarden.
De basisondersteuning die we aan de kinderen geven, bestaat uit 6 standaarden.
  1. Visie en beleid
  2. Interne ondersteuningsstructuur
  3. Pedagogisch klimaat en veiligheid
  4. Handelingsbekwaamheid van het team
  5. Samenwerken met de ouders
  6. Samenwerken met externe partners
naar boven >>>
7.1 Visie en beleid
De Ark (van Noach) voert een helder beleid op het gebied van de ondersteuning van haar leerlingen, dit is een visie die bij het gehele team bekend is en door het hele team gedragen wordt. Dit doen we volgens de cyclus van handelingsgericht werken: 

Onze ambities op dit punt:
- Groepsplannen inzetten op de vakken rekenen, spelling, technisch lezen, begrijpend lezen* en op het gebied van leren leren*. (*=nieuw)
- Het borgen van deze cyclus. We willen deze meerdere malen per jaar doorlopen, en in dat proces de ouders en de leerling meer betrekken. Hierover leest u meer onder punt 5. 
naar boven >>>
7.2 Interne ondersteuningsstructuur
We vinden het als school belangrijk dat ieder kind les krijgt op het niveau dat bij hem past, en tevens dat dit behapbaar is voor de leerkracht. Daarom wordt er voor de vakken rekenen, spelling, begrijpend- en technisch lezen op 3 niveaus gewerkt. Daarnaast kan het zijn dat een leerling een eigen leerlijn nodig heeft voor een bepaald vakgebied, omdat het nog meer ondersteuning of uitdaging nodig heeft (zeer incidenteel). Om de zorg voor alle leerlingen en leerkrachten te waarborgen, krijgt de leerkracht ondersteuning van de intern begeleider welke hen coacht en begeleidt.
 
klaarover Onze ambities op dit punt:
- Als Ark (van Noach) zouden we in de toekomst de ondersteuning niet alleen met de intern begeleider, maar ook met de ouders en leerling willen evalueren.
- Inzichtelijk maken wanneer er voor een leerling een ontwikkelingsperspectief (OPP) opgesteld moet worden. Dit valt buiten het basisarrangement.
- Structureel nagaan wat de effectiviteit is van de extra ondersteuning en de ondersteuningsmiddelen. Dit waar nodig bijstellen.
naar boven >>>  
7.3 Pedagogisch klimaat en veiligheid
Onder pedagogisch klimaat verstaan we de sfeer van, en de veiligheid in de leeromgeving van de leerlingen en medewerkers. Zowel de fysieke sfeer als de sociale sfeer. Als school willen we dit waarborgen door te werken met de Kanjertraining. De afgelopen jaren hebben ons geleerd dat we door de Kanjertraining allemaal dezelfde taal zijn gaan spreken wanneer het gaat om sociaal wenselijk gedrag. Ook zien we dat het gemakkelijker is geworden voor leerkrachten en kinderen om elkaar op het gedrag aan te spreken. Daarnaast hebben we sinds dit schooljaar de wettelijk verplichte meldcode rondom huiselijk geweld en kindermishandeling. In de praktijk houdt dit in, dat we bij twijfel over veiligheid van de kinderen in de niet schoolse sfeer altijd contact op zullen nemen met de ouders/wettelijk verantwoordelijken om de veiligheid van de kinderen te bespreken en dat we waar nodig hier verdere acties op uit zullen zetten.
 
klaarover Onze ambities op dit punt:
- Het vormgeven van ons veiligheidsbeleid. Hierdoor zullen we nog meer zicht krijgen op de veiligheidsbeleving van zowel de leerlingen als het personeel.
- Het verder implementeren en borgen van de meldcode.
naar boven >>>  
7.4 Handelingsbekwaamheid van het team.
Op de Ark (van Noach) beschikken alle leerkrachten over een goed gevulde gereedschapskoffer met basisvaardigheden. Toch bestaan er verschillen tussen de leerkrachten onderling, zoals ieder mens zijn sterke- en ontwikkelingspunten heeft. Om het bestaande niveau te waarborgen en tevens tegemoet te komen aan de specifieke ontwikkelingswensen van de leerkrachten, heeft de Ark (van Noach) ieder schooljaar een beredeneerd aanbod aan bij- en nascholingsactiviteiten. Deze scholing is altijd gekoppeld aan het schoolplan.
Ook individueel kunnen leerkrachten bij- of nascholing aanvragen.
 
klaarover Onze onderwerpen voor scholing het komende schooljaar:
- Leerlijn leren leren. Zelfstandig werken kun je niet zomaar. Net als binnen de verschillende vakgebieden zit hier een opbouw in, moeten de leerlingen over verschillende vaardigheden beschikken om dit goed te kunnen. We gaan formuleren hoe we vinden dat voor onze leerlingen deze opbouw zou kunnen verlopen. Hiermee geven we vorm aan betekenisvol onderwijs.
- Aan de slag met het groepsplan binnen de cyclus van handelingsgericht werken.
- Het voeren van ouder- en kindgesprekken.
naar boven >>>  
7.5 Samenwerken met ouders
Als Ark (van Noach) vinden we de samenwerking met ouders zeer belangrijk. Zo hebben we een actieve MR en een even zo actieve OR. We denken echter dat we ook nog stappen kunnen maken binnen deze samenwerking, gericht op de kwaliteit en invulling van het onderwijs.
 
klaarover Onze ambities op dit punt:
- Ouders betrekken bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van het groepsplan.
- Het voeren van oudergesprekken die meer 2-richtingverkeer zijn dan de huidige rapportgesprekken.
naar boven >>>  
7.6 Samenwerking met externe partners
Wanneer we het tot nog toe hadden over samenwerken met externe partners, verliep dat via de intern begeleider en beperkte zich dat in grote lijnen tot de hulpvraag neerleggen bij het expertisecentrum van het samenwerkingsverband. Met de komst van Passend Onderwijs zullen we als school nog een aantal groeipunten door moeten en willen maken.
 
klaarover Onze ambities op dit punt:
- De samenwerking met het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) meer vormgeven. Zij zijn binnen passend onderwijs degenen die zorg dragen voor het organiseren van hulp rondom de school.
- Leerlingen met complexe(re) problemen bespreken in een multidisciplinair overleg (MDO).
- De samenstelling van het MDO helder houden. Hieraan nemen de volgende betrokkenen deel: IB, leerkracht, (directie), eventueel het expertisecentrum en het CJG. Ouders worden vanaf het begin bij deze besprekingen uitgenodigd.
 
Al met al kunnen we zeggen dat het onderwijs op de Ark (van Noach) al behoorlijk passend is, en dat is iets waar we trots op zijn. Ook zien we in dat er binnen bepaalde standaarden nog groeimogelijkheden zijn.
Groei: een van de kernwaarden van de Ark (van Noach) Het waarborgen van deze groei is iets waar we onze verantwoordelijkheid in willen en kunnen nemen. We zullen dan ook vol vertrouwen de weg van Passend Onderwijs inslaan.
naar boven >>>
7. Bijlages
 Bijlage 1: Protocol medicijnverstrekking
Inleiding
 
Leraren op school worden regelmatig geconfronteerd met leerlingen die klagen over pijn die meestal met eenvoudige middelen te verhelpen is, zoals hoofdpijn, buikpijn, oorpijn of pijn ten gevolge van een insectenbeet.
Ook krijgt de schoolleiding steeds vaker het verzoek van ouder(s) I verzorger(s) om hun kinderen de door een arts voorgeschreven medicijnen toe te dienen. ( Voor de leesbaarheid van het stuk zullen we hierna spreken over ouders wanneer wij ouder(s) en verzorger(s) bedoelen).
Een enkele keer wordt werkelijk medisch handelen van leraren gevraagd zoals het geven van sondevoeding, het toedienen van een zetpil of het geven van een injectie.
De schoolleiding aanvaardt met het verrichten van dergelijke handelingen een aantal verantwoordelijkheden.
Leraren begeven zich dan op een terrein waarvoor zij niet gekwalificeerd zijn.
Met het oog op de gezondheid van kinderen is het van groot belang dat zij in dergelijke situaties zorgvuldig handelen. Zij moeten daarbij over de vereiste bekwaamheid beschikken. Leraren en schoolleiding moeten zich realiseren dat wanneer zij fouten maken of zich vergissen zij voor deze handelingen aansprakelijk gesteld kunnen worden.
Daarom wil de GGD middels dit protocol scholen een handreiking geven over hoe in deze situaties te handelen.
 
De drie te onderscheiden situaties zijn:
  1. Het kind wordt ziek op school
  2. Het verstrekken van medicijnen op verzoek
  3. Medische handelingen
 
De eerste situatie laat de school en de leraar geen keus. De leerling wordt ziek of krijgt een ongeluk en de leraar moet direct bepalen hoe hij moet handelen. Bij de tweede en de derde situatie kan de schoolleiding kiezen of zij wel of geen medewerking verleent aan het geven van medicijnen of het uitvoeren van een medische handeling. Voor de individuele leraar geldt dat hij mag weigeren handelingen uit te voeren waarvoor hij zich niet bekwaam acht.
 
Op de volgende pagina's wordt elk onderdeel beschreven. Hiervoor is het betreffende toestemmingsformulier en/of bekwaamheidsverklaring.
Wij adviseren u dit te gebruiken. Heeft u naar aanleiding van dit protocol nog vragen, dan kunt u zich wenden tot de sociaal verpleegkundige van de GGD die werkzaam is op uw school.
 
AD 1. Het kind wordt ziek op school
 
Regelmatig komt een kind 's morgens gezond op school en krijgt tijdens de schooluren last van hoofd-, buik-, of oorpijn. Ook kan het bijvoorbeeld door een insect geprikt worden. Een leraar verstrekt dan vaak- zonder toestemming of medeweten van ouders -  een "paracetamolletje" of wrijft Azaron op de plaats van een insectenbeet.
 
In zijn algemeenheid is een leraar niet deskundig om een juiste diagnose te stellen. De grootst mogelijke terughoudendheid is hier dan ook geboden. Uitgangspunt moet zijn dat een kind dat ziek is naar huis moet. De school zal, in geval van ziekte, altijd contact op moeten nemen met de ouders om te overleggen wat er moet gebeuren (is er iemand thuis om het kind op te vangen, wordt het kind gehaald of moet het gebracht worden, moet het naar de huisarts, etc.?).
Ook wanneer een leraar inschat dat het kind bij een eenvoudig middel gebaat is, dan is het gewenst om altijd eerst contact te zoeken met de ouders. Wij adviseren u het kind met de ouders te laten bellen. Vraag daarna om toestemming aan de ouders om een bepaald middel te verstrekken.
 
Problematisch is het wanneer de ouders en andere, door de ouders aangewezen vertegenwoordigers, niet te bereiken zijn. Het kind kan niet naar huis gestuurd worden zonder dat daar toezicht is. Ook kunnen de medicijnen niet met toestemming van de ouders verstrekt worden. De leraar kan dan besluiten, eventueel na overleg met een collega, om zelf een eenvoudig middel te geven. Daarnaast moet hij inschatten of niet alsnog een (huis)arts geraadpleegd moet worden. Raadpleeg bij twijfel altijd een arts. Zo kan bijvoorbeeld een ogenschijnlijk eenvoudige hoofdpijn een uiting zijn van een veel ernstiger ziektebeeld. Het blijft zaak het kind voortdurend te observeren. Iedere situatie is anders zodat we niet uitputtend alle signalen kunnen benoemen die zich kunnen voordoen.
 
Enkele zaken waar u op kunt letten zijn:
•           toename van pijn
•           misselijkheid
•           verandering van houding ( bijvoorbeeld in elkaar krimpen )
•           verandering van de huid  ( bijvoorbeeld erg bleke of hoogrode kleur)
•           verandering van gedrag   ( bijvoorbeeld onrust, afnemen van alertheid )
 
Realiseer u dat u geen arts bent en raadpleeg, bij twijfel, altijd een (huis)arts. Dit geldt uiteraard ook wanneer de pijn blijft of de situatie zich verergert. De zorgvuldigheid die u hierbij in acht moet nemen is dat u handelt alsof het uw eigen kind is.
 
AD 2: Het verstrekken van medicijnen op verzoek
 
Kinderen krijgen soms medicijnen of andere middelen voorgeschreven die zij een aantal malen per dag moeten gebruiken, dus ook tijdens schooluren. Te denken valt bijvoorbeeld aan pufjes voor astma, antibiotica, of zetpillen bij toevallen. Ouders vragen dan aan de schoolleiding of een leraar deze middelen wil verstrekken. In deze situatie is de toestemming van de ouders gegeven. Het is in dit geval van belang deze toestemming schriftelijk vast te leggen. Meestal gaat het niet alleen om eenvoudige middelen, maar ook om middelen die bij onjuist gebruik tot schade van de gezondheid van het kind kunnen leiden. Leg daarom schriftelijk vast om welke medicijnen het gaat, hoe vaak en in welke hoeveelheden ze moeten worden toegediend en op welke wijze dat dient te geschieden. Leg verder de periode vast waarin de medicijnen moeten worden verstrekt, de wijze van bewaren, opbergen en de wijze van controle op de vervaldatum. Ouders geven hierdoor duidelijk aan wat zij van de schoolleiding en de leraren verwachten en die weten op hun beurt weer precies wat ze moeten doen en waar ze verantwoordelijk voor zijn. Wanneer het gaat om het verstrekken van medicijnen gedurende een lange periode moet regelmatig met ouders overlegd worden over de ziekte en het daarbij behorende medicijngebruik op school. Een goed moment om te overleggen is wanneer ouders een nieuwe voorraad medicijnen komen brengen.
 
Enkele praktische adviezen:  
Mocht de situatie zich voordoen dat een kind niet goed op een medicijn reageert of dat er onverhoopt toch een fout gemaakt wordt bij de toediening van een medicijn bel dan direct met de huisarts of specialist in het ziekenhuis. Bel bij een ernstige situatie direct het landelijk alarmnummer 112. Zorg in alle gevallen dat u duidelijk alle relevante gegevens bij de hand hebt, zoals: naam, geboortedatum, adres,  huisarts en/ of specialist van het kind, het medicijn dat is toegediend, welke reacties het kind vertoont (eventueel welke fout is gemaakt).
 
AD 3. Medische handelingen
 
Het is van groot belang dat een langdurig ziek kind of een kind met een bepaalde handicap zoveel mogelijk gewoon naar schoolgaat. Het kind heeft contact met leeftijdsgenootjes, neemt deel aan het normale leven van een schoolkind en wordt daardoor niet de hele dag herinnerd aan zijn handicap of ziek zijn. Gelukkig zien steeds meer scholen in hoe belangrijk het is voor het psychosociaal welbevinden van het langdurig zieke kind om, indien mogelijk, naar school te gaan.
 
Medische handelingen
In hoog uitzonderlijke gevallen zullen ouders aan schoolleiding en leraren vragen handelingen te verrichten die vallen onder medisch handelen. Te denken valt daarbij aan het geven van sondevoeding, het meten van de bloedsuikerspiegel bij suikerpatiënten door middel van een vingerprikje. In zijn algemeenheid worden deze handelingen door de Thuiszorg of de ouders zelf op school verricht. In zeer uitzonderlijke situaties, vooral als er sprake is van een situatie die al langer bestaat, wordt door de ouders wel eens een beroep op de schoolleiding en de leraren gedaan. Schoolbesturen moeten zich, wanneer wordt overgegaan tot het uitvoeren van een medische handeling door een leraar, wel realiseren dat zij daarmee bepaalde verantwoordelijkheden op zich nemen. Dit hoeft niet onoverkomelijk te zijn, maar het is goed zich te realiseren wat hiervan de consequenties kunnen zijn.
Het zal duidelijk zijn dat de ouders voor dergelijke ingrijpende handelingen hun toestemming moeten geven. Zonder toestemming van de ouders kan een schoolleiding of leraar al helemaal niets doen. Gezien de ingrijpendheid van de handelingen moet een schoolleiding een schriftelijke toestemming van de ouders vragen.
 
Wettelijke regels
Voor de hierboven genoemde medische handelingen heeft de wetgever een aparte regeling gemaakt. De Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) regelt wie wat mag doen in de gezondheidszorg. De wet BIG is bedoeld voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg en geldt als zodanig niet voor onderwijzend personeel. Dat neemt niet weg dat in deze wet een aantal waarborgen worden gegeven voor een goede uitoefening van de beroepspraktijk aan de hand waarvan ook een aantal regels te geven zijn voor schoolbesturen en leraren als het gaat om in de wet BIG genoemde medische handelingen. Bepaalde medische handelingen -de zogenaamde voorbehouden handelingen - mogen alleen worden verricht door artsen. Anderen dan artsen mogen medische handelingen alleen verrichten in opdracht van een arts. De betreffende arts moet zich er dan van vergewissen dat degene die niet bevoegd is, wel de bekwaamheid bezit om die handelingen te verrichten.
 
Aansprakelijkheid
Vorenstaande is ook van toepassing wanneer een leraar bij een leerling een medische handeling verricht. Technisch gezien vallen leraren niet onder de wet BIG. Deze geldt alleen voor medische- en paramedische beroepen. Soms worden leraren betrokken bij de zorg rond een ziek kind en worden daarmee partners in de zorg. In zo'n geval kan het voorkomen dat leraren gevraagd wordt om een medische handeling bij een kind uit te voeren. Deze, niet alledaagse, positie van de leraar moet hierbij serieus genomen worden. Daarom moet een leraar een gedegen instructie krijgen hoe hij de handeling moet uitvoeren. Het naar tevredenheid uitvoeren van deze handeling wordt schriftelijk vastgelegd in een bekwaamheidsverklaring. Zodoende wordt een zo optimaal mogelijke zekerheid aan kind, ouders, leraar en schoolleiding gewaarborgd. Ook voor de
verzekeraar van de school zal duidelijk zijn dat er zo zorgvuldig mogelijk is gehandeld. Dit betekent dat een leraar in opdracht van een arts moet handelen die hem bekwaam heeft verklaard voor het uitvoeren van die medische handeling.
Binnen organisaties in de gezondheidszorg is het gebruikelijk dat een arts, of een door hem aangewezen en geïnstrueerde vertegenwoordiger, een bekwaamheidsverklaring afgeeft met het oog op eventuele aansprakelijkheden.
 
Heeft een leraar geen bekwaamheidsverklaring dan kan hij bij onoordeelkundig handelen aangesproken worden voor de aangerichte schade. Het schoolbestuur is echter weer verantwoordelijk voor datgene wat de leraar doet. Kan een schoolbestuur een bekwaamheidsverklaring van een arts overleggen, dan kan niet bij voorbaat worden aangenomen dat de schoolleiding onzorgvuldig heeft gehandeld.
Een schoolbestuur dat niet kan bewijzen dat een leraar voor een bepaalde handeling bekwaam is, raden wij aan de medische handelingen niet te laten uitvoeren. Een leraar die wel een bekwaamheidsverklaring heeft, maar zich niet bekwaam acht -  bijvoorbeeld omdat hij deze handeling al een hele tijd niet heeft verricht - zal deze handeling eveneens niet mogen uitvoeren. Een leraar die onbekwaam en/of zonder opdracht van een arts deze handelingen verricht is niet alleen civielrechtelijk aansprakelijk ( betalen van schadevergoeding ), maar
ook strafrechtelijk ( mishandeling ). Het schoolbestuur kan op zijn beurt als werkgever eveneens civiel- en strafrechtelijk aansprakelijk gesteld worden.
 
Om zeker te zijn dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid gedekt is, is het raadzaam om, voordat er wordt overgegaan tot medisch handelen, contact op te nemen met de verzekeraar van de school. Het kan zijn dat bij de beroepsaansprakelijkheid de risico's die zijn verbonden aan deze medische handelingen niet zijn meeverzekerd. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, omdat wanneer de verzekeraar van een en ander op de hoogte wordt gesteld hij deze risico's kan meeverzekeren, eventueel tegen een hogere premie en onder bepaalde voorwaarden (bijvoorbeeld een bekwaamheidsverklaring ).
Mocht zich onverhoopt ten gevolge van een medische handeling een calamiteit voordoen stel u dan direct in verbinding met de huisarts en I of  specialist van het kind. Bel bij een ernstige situatie direct het landelijk alarmnummer 112. Zorg ervoor dat u alle relevante gegevens van het kind bij de hand heeft, zoals: naam, geboortedatum, adres, huisarts en specialist van het kind. Geef verder door naar aanleiding van welke handeling de calamiteit zich heeft voorgedaan en welke verschijnselen bij het kind waarneembaar zijn.
 
Werkwijze
Als de school het zelf niet meer kan, zal het multidisciplinair overleg (MDO) een advies opleveren. Voor uitvoering van dat advies kan men putten uit de ondersteuningsmogelijkheden die het samenwerkingsverband in haar netwerk heeft opgenomen.
naar boven >>>
Bijlage 2: Dyslexieprotocol
 "Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau".
Dyslexie heeft niets te maken met de intelligentie van een kind. Wel kunnen kinderen met een hogere intelligentie meer last hebben van hun dyslexie, omdat ze vaker tegen teksten aan zullen lopen die ze wel willen, maar slechts moeizaam kunnen lezen. Kinderen of jongeren die problemen hebben met het lezen of spellen, kunnen het onderwijs minder goed volgen. Daar moet immers veel gelezen en geschreven worden. In veel gevallen lijdt hun zelfvertrouwen daaronder.
Dyslexie gaat nooit helemaal over. Ook na behandeling blijven leerlingen met dyslexie trage lezers, die veel extra inspanning moeten leveren om alles te lezen wat er in het onderwijs gelezen moet worden.
 
Daarnaast zijn er verschillen in de mate van dyslexie die een kind kan hebben. Er zijn lichtere en zwaardere vormen. Elke vorm vraagt zijn eigen benadering. Zo zal een lichtere vorm vaak pas in een hogere groep vastgesteld kunnen worden.
 
Wat doen wij op school om leesproblemen te signaleren? Om de mate van achterstand vast te stellen maakt de school hierbij gebruik van de CITO-DMT-toetsen(de Drie Minuten toets), CITO-spelling en eventueel PI-dictee (vanaf groep 3). Daarnaast wordt er gekeken of de leerling profijt heeft van de geboden hulp (vastgelegd in groepsplannen).
 
Wat gebeurt er aan begeleiding en hulp op school?
 
Zolang er geen dyslexieverklaring is afgegeven spreken wij van kinderen met een (ernstige) lees- en/of spellingproblematiek. Deze kinderen worden niet anders benaderd dan kinderen die wél een verklaring hebben. Op school gaan we preventief aan de slag bij een vermoeden van een lees- en/of spellingproblematiek (in welke vorm dan ook). Dit houdt in dat we tijdig extra hulp in de groep bieden aan die kinderen die dat nodig hebben. Dit alles wordt vastgelegd in een groepsplan.
Wat houdt dit nu concreet in:  
Voor kinderen met (ernstige) leesproblemen hanteren wij het zogenaamde “A, B, C, D, E-model”
A = Accepteren: B = Begrijpen: C = Compenseren: D = Dispenseren: E = Extra tijd:  
“C, D, E” wordt bij ons op school gehanteerd voor alle kinderen met lees- en/of spellingsproblemen, ongeacht of er een officiële dyslexieverklaring is. Voor onze school is het dan ook niet noodzakelijk om die verklaring te hebben om de juiste hulp te krijgen in de klas. Een dyslexieverklaring kan op de basisschool voor sommige kinderen een meerwaarde betekenen bij het Accepteren en Begrijpen van het lees en/of spellingsprobleem. 
naar boven >>>
Bijlage 3: Beleid AD(H)D, Asperger, Dyslexie, Dyscalculie, ODD-CD, PDD-NOS e.d 
Ark en Ark van Noach, oktober 2013
 
De zorg van de Tweede Kamer over een eerlijke kans op slagen voor de groep leerlingen met een handicap is terecht. Leerlingen met een handicap hebben ten opzichte van leerlingen zonder een handicap een inhoudelijk nadeel. Wanneer we een oordeel willen geven over het functioneringsniveau van een leerling met handicap in vergelijking met leeftijdsgenoten zonder, dan ontkomen we er niet aan de leerling met handicap hulpmiddelen toe te staan. Je ontneemt de lamme in de hardloopwedstrijd ook niet zijn rolstoel. Mét rolstoel maakt hij nog een kans! Zonder rolstoel is hij kansloos en staat de uitslag van de meting van te voren vast. Ook is het onmogelijk om ontwikkeling vast te stellen. Ook een volgend keer zal de lamme de eindstreep niet halen. Met rolstoel valt er wél groei te zien en is er ook vast te stellen op welke onderdelen de lamme nog hulp kan gebruiken. Het is weinig zinvol de lamme hulp aan te bieden voor het functioneren zónder rolstoel. Hij zal immers zijn leven lang aan de rolstoel gekluisterd blijven. 
 
Gelijke behandeling
Het is verboden onderscheid te maken op grond van handicap of chronische ziekte. Een school maakt onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte door geen doeltreffende aanpassingen te doen die het leerlingen met handicap mogelijk maken om hun handicap te compenseren. Een leerling met handicap heeft door het gebruik van hulpmiddelen geen inhoudelijk voordeel, maar wordt voor de handicap gecompenseerd, waarmee de leerling als het ware een gelijke startpositie heeft als leerlingen zonder handicap.
 
Ongelijke behandeling opheffen
Op basis van bovenstaande heeft een school een onderzoeksverplichting en moet zeggen wat ze gaat doen om de ongelijke behandeling op te heffen. Als aantoonbaar sprake is van een handicap is het aan de directie om te besluiten welke maatregelen noodzakelijk zijn bij het afnemen van toetsen. Artikel 55 van het Examenbesluit geeft aan dat de directie van de school gerechtigd is noodzakelijke maatregelen toe te staan tijdens de schoolloopbaan en voor het examen. De beslissingsbevoegdheid van de directie is feitelijk nog uitgebreider sinds het regulier onderwijs per augustus 2009 valt onder de Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. De directie mag in het proces van een schoolexamen, dus tijdens de schoolexamens bijvoorbeeld, tijdelijk meer rekening houden met de beperking van een leerling. Maar dit moet wel strak omschreven en helder zijn, en het einddoel moet hetzelfde zijn als voor leerlingen zonder handicap. Ook moet de inspectie worden geïnformeerd. Deze mag de voorgenomen maatregelen, indien goed onderbouwd, niet afwijzen. Het advies is om de gewijzigde afnamecondities goed vast te leggen en ook te communiceren naar derden die de resultaten willen gebruiken (bijvoorbeeld een nieuwe school of een orthopedagoog) zodat de uitkomsten goed geïnterpreteerd kunnen worden.
 
Standpunt Inspectie van het Onderwijs (Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap)
‘Het is goed dat een school haar toetsbeleid goed doordenkt en beschrijft. Voor toetsen die diagnostisch worden ingezet, om na te gaan waar leerlingen het beste mee geholpen kunnen worden, kan de school allerlei keuzes maken in de condities rond toetsafname. Als toetsen echter gebruikt worden om opbrengsten van scholen met elkaar te vergelijken, dan moeten de toetscondities zoals beschreven in de handleidingen van de toetsen gevolgd worden.’ Voor de toetsafname in het basisonderwijs geldt dus dat de inspectie ervan uitgaat dat de scholen zich houden aan de afnamevoorschriften die door de toetsuitgever in de handleiding zijn opgesteld. ‘Wij gebruiken toetsresultaten om de opbrengsten van scholen te beoordelen. Hiervoor is het noodzakelijk dat de toetsresultaten valide en betrouwbaar zijn. Ook moeten ze zijn verkregen onder de condities, die beschreven zijn in de toetshandleiding. Door andere dan in de handleiding beschreven hulpmiddelen in te zetten voor bepaalde groepen leerlingen wordt de normering voor de opbrengstbeoordeling geweld aangedaan. De inspecteur kan in die gevallen besluiten om de opbrengsten niet te beoordelen.’
 Voor veel scholen is het standpunt van de inspectie reden om dan maar geen maatregelen te treffen voor leerlingen met een handicap in het geval daarvoor nog geen Protocol bestaat. We beschikken bijvoorbeeld al wel over een Protocol voor Dyslexie, maar nog niet over een Protocol voor Dyscalculie[1].
 
Standpunt CITO
CITO adviseert in principe alle leerlingen de toetsen  onder dezelfde omstandigheden te laten maken en dus de voorgeschreven afname-instructies te volgen. Zo zijn de resultaten van leerlingen vergelijkbaar met die van anderen in hun groep en de normgroep. Er kunnen echter omstandigheden zijn die het noodzakelijk maken om aanpassingen te doen of hulpmiddelen toe te staan. Daarbij dient steeds nadrukkelijk de vraag gesteld te worden of de toets nog steeds meet waarvoor die bedoeld is en of de aanpassing niet leidt tot overcompensatie waardoor de leerling bevoordeeld wordt ten opzichte van andere leerlingen. Het gebruik van bijvoorbeeld een zakrekenmachine zou dusdanig veel voordeel opleveren voor de betreffende leerling, dat dit niet is toegestaan. Hulpmiddelen zoals een rekenmachine en tafelkaart zijn niet toegestaan bij toetsafnames. Toetsen zijn immers genormeerd zonder hulpmiddelen. Mocht een leerling een LVS-toets toch met hulpmiddelen maken, dan vervalt de vergelijking met de normgroep. De vaardigheidsniveaus I-V en A-E zijn dan dus niet van toepassing. U kunt de leerling dan alleen vergelijken met zichzelf.’
 
Wegwijzer toetsgebruik bij leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften - CITO
In de wegwijzer valt het volgende op te tekenen:  
Een dilemma
De school wordt heen en weer geslingerd tussen enerzijds de ‘Wet Gelijke Behandeling op grond van handicap of chronische ziekte’ die voorschrijft dat de school doeltreffende aanpassingen doet die het leerlingen met handicap mogelijk maakt om hun handicap te compenseren en anderzijds het standpunt van de Inspectie van het Onderwijs (Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap) die verwijst naar de afnamecondities, die beschreven zijn in de toetshandleiding van de uitgever CITO, die in principe adviseert alle leerlingen de toetsen  onder dezelfde omstandigheden te laten maken en dus de voorgeschreven afname-instructies te volgen. CITO geeft daarbij aan, dat er echter omstandigheden kunnen zijn die het noodzakelijk maken om aanpassingen te doen of hulpmiddelen toe te staan, waarbij steeds nadrukkelijk de vraag gesteld dient te worden of de toets nog steeds meet waarvoor die bedoeld is en of de aanpassing niet leidt tot overcompensatie waardoor de leerling bevoordeeld wordt ten opzichte van andere leerlingen.
 
De school is van mening dat er van overcompensatie geen sprake is. Door de leerling door het gebruik van hulpmiddelen voor de handicap te compenseren, verkrijgt de leerling een gelijke startpositie vergeleken met leerlingen zonder handicap. De school kiest er niet voor de leerling te frustreren door geen hulpmiddelen toe te staan. Om maar met CITO-woorden te spreken: Gewoon waar mogelijk, speciaal waar nodig. Wat ons betreft is het toestaan van hulpmiddelen voor kinderen met een handicap hard nodig!
 
[1] Op 31 maart 2012 is het Protocol dyscalculie: diagnostiek voor gedragsdeskundigen, opgesteld door onder andere Hans van Luit, hoogleraar Dyscalculie aan de Universiteit Utrecht, verschenen. Dit protocol biedt handvatten voor gedragsdeskundigen om door verantwoord onderzoek te bepalen of een leerling die zwak is in rekenen dyscalculie heeft of niet. Het is al met al een uitgebreide inventarisatie en is vooral bedoeld om de gedragsdeskundige handvatten te bieden voor verantwoord diagnostisch onderzoek. Voor de scholen is het Protocol te specialistisch om ermee te kunnen werken.

Omstandigheden die het noodzakelijk maken om aanpassingen te doen en/of hulpmiddelen toe te staan.
naar boven >>>
Bijlage 4: Algemene informatie over de Plusklas
Voor enkele kinderen van de groepen 5 t/m 8 bestaat de mogelijkheid om deel te nemen aan de plusklas.
Criteria voor toelating: De kinderen die aan criteria 1, 2, en/of 3 en 4 voldoen kunnen gaan meedoen in de plusklas. Onderpresteerders kunnen geplaatst worden in de plusklas als er aan punt 4 voldaan is.
Daarnaast vult de groepsleerkracht de signaleringslijst in van het Sidi-R (lijst groep 3 t/m 8). Aan de hand daarvan wordt bekeken of de kinderen eigenschappen hebben als: Snel van begrip zijn, grote en diepgaande interesse hebben, creatief en inventief denken, een grote woordenschat hebben, een scherp opmerkingsvermogen en geestelijk vroegrijp zijn. Ook wordt er gekeken naar de sociaal-emotionele ontwikkeling m.b.t. zelfbeeld, omgang met anderen en werkhouding. Is er sprake van extra zorg? Dit kan invloed hebben op de begeleiding in de plusklas.
Het doel v.d. plusklas: Lesinhoud Plusklas: Doelstellingen leerlingen (op hun niveau): Zie figuur Tasc (thinking actively in a social context)
naar boven >>>
Bijlage 5: Programma Kleine Kanjer Groep
Inhoud lessen kleine kanjerkring.


Doelgroep : Kinderen die in de klassensituatie opvallen door hun sociaal-emotioneel gedrag. Het doel van de kleine kanjerkring is om ieder kind een veilige basis te geven in zijn of haar handelen. Het kind helpen om zich op een autonome en authentieke manier te ontwikkelen door middel van zelfreflectie en rollenspel.
Procedure:
  1. Kinderen die in de klas op sociaal-emotioneel gebied zich opvallend gedragen worden extra in de gaten gehouden door de leerkracht.
  2. Daarnaast worden er 2 x in het jaar een kind- en leerkrachtenvragenlijst ingevuld en een sociogram. Kinderen met opvallende uitslagen worden met de I.B-ers besproken.
  3. De I.B.-er en leerkracht bepalen samen, in overleg met de ouders, of het kind baat heeft bij de kleine kanjerkring. Een voorwaarde voor de kleine kanjerkring is de zelfreflectie van het kind. Dit is de reden dat de kleine kanjerkring alleen bedoeld is voor leerlingen uit de groepen 5 t/m 8.
  4. De leerkracht, de I.B-er en de kanjercoördinator bepalen uiteindelijk welke kinderen voor de kleine kanjerkring in aanmerking komen. Per training is er plaats voor maximaal 6 kinderen.
Contact ouders: Met de ouders van de kinderen die aangemeld zijn wordt een intakegesprek gehouden. Het is belangrijk dat er een goed contact is tussen de kanjercoördinator en de ouders. In een open gesprek vertellen de ouders over de opvoeding van hun kind en de kind kenmerken.
De kanjercoördinator legt het doel en de inhoud van de training uit.
Na afloop van de training vindt een eindgesprek met de ouders plaats. In dit gesprek vertellen zowel de ouders als de kanjercoördinator hun ervaringen.
De ontwikkeling van het kind wordt besproken. In sommige gevallen blijkt dat de training niet voldoende resultaat behaald heeft en wordt er doorverwezen naar de professionele hulpverlening.

De kinderen die deelnemen aan de training ontvangen na iedere bijeenkomst tips en een korte samenvatting van wat er besproken is en bewaren dit een speciale kanjermap. De kinderen kunnen dan met de ouders bespreken wat er aan de orde geweest is.  Dit is tevens een handig naslagwerk, voor zowel de kinderen als de ouders.
 
Bijeenkomst 1:
Doel:
Kennismaken met elkaar en een veilige basis creëren voor de rest van de bijeenkomsten. ( Een veilige basis is essentieel voor het verloop van de training.)
Inhoud:
De vijf basisafspraken van de kanjertraining herhalen en bespreken.
De verschillende typen gedragingen bespreken a.d.h.v. de verschillende kleuren petjes.
Leren om jezelf voor te stellen en je op de goede manier te presenteren.
Het bespreken van de omgangsvormen.
Hoe doe jij? (zelfbeeld)
Iedereen is anders en dat is goed en dat mag.

Bijeenkomst 2:
Doel:
Het aanleren van presentatietechnieken. Rekening houden met elkaar en luisteren naar elkaar.
Inhoud:
Luisteren en samenwerken Luisteren doe je met je hele lijf.
Hoe begin je een gesprek?
Waar praat jij gemakkelijk over?
Met elkaar in gesprek gaan en vragen leren stellen. (mol- en vlindervragen)

Bijeenkomst 3:
Doel:
Het leren uiten en omgaan met gevoelens van jezelf en die van een ander.
Inhoud:
Gevoelens, wat zijn dat?
Gevoelens uitspreken, gevoelens vergroten.
Leren dat andere niet kunnen weten hoe jij je uiteindelijk voelt.
Elkaar observeren.
Pieker niet alleen!

Bijeenkomst 4:
Doel: Met welke intentie geef je een compliment? Iets aardigs zeggen over jezelf en een ander.
Inhoud:
Complimentjes geven en krijgen.
Gevoel bij het krijgen van geven van complimentjes.
Leren om complimentjes te geven.
Individuele leerpunten bespreken.

Bijeenkomst 5:
Doel: Het zelfbeeld van het ontwikkelen en het zelfvertrouwen vergroten.
Inhoud:
Hoe vraag je iets aan een ander? Hoe vraag je of je mee mag doen?
Belangrijk is het moment van het vragen.
Hoe reageer je als er niet geluisterd wordt?
Zelfbeeld en zelfvertrouwen. Ieder kind doet ertoe, iedereen is belangrijk.

Bijeenkomst 6:
Doel: Van kritiek kun je leren.
Inhoud:
Kritiek krijgen van een ander. Hoe ga je daar goed mee om?
Omgaan met positieve en negatieve feedback. Wat is het verschil?
Ervaringen uitwisselen en uitspelen van situaties.
Ind. Leerpunten.
Tips en traps.

Bijeenkomst 7:
Doel: leren omgaan met conflictbeheersing.
Inhoud:
Nee zeggen.
Vriendschap is belangrijk en moet je onderhouden.
Laat pesters kletsen.

Bijeenkomst 8
Doel: iedereen is anders en dat is goed.
Inhoud:
Herhaling en ervaringen uitwisselen.
Evaluatie.
Bespreken van de kanjertips.
Kanjerdiploma.
naar boven >>>
Bijlage 6: Inventarisatie schoolstandaarden
School: De Ark en de Ark van Noach
 
Hieronder 6 standaarden voor basisondersteuning met nadere specificaties:
Standaard 1    Visie en beleid
Standaard 2    Interne ondersteuningsstructuur
Standaard 3    Pedagogisch klimaat en veiligheid
Standaard 4    Handelingsbekwaamheid van het team
Standaard 5    Samenwerken met ouders
Standaard 6    Samenwerken met externe partners
 
Aan elke standaard zijn aanvullende specificaties voor de scholen voor SBO toegevoegd.
De vakjes achter de standaarden zijn bestemd voor het eigen oordeel van de school over de mate waarin zij al aan de standaard voldoet.  Ja  of  O(ntwikkelpunt).
 
1 De school voert een helder beleid op het terrein van ondersteuning van haar leerlingen Ja O
  1. De school heeft een expliciete visie op de ondersteuning van leerlingen. Deze visie wordt door het hele team gedragen
  X  
  1. Het ondersteuningsbeleid is gebaseerd op de uitgangspunten en de cyclus van handelingsgericht werken
  X  
  1. De school werkt opbrengstgericht en heeft ambities geformuleerd voor de resultaten die zij met haar leerlingen wil bereiken
  X  
  1. De visie en het beleid zijn zichtbaar op de werkvloer
   X  
 
2 De school heeft een effectieve interne ondersteuningsstructuur Ja O
  1. Taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd
   X  
  1. Taken en verantwoordelijkheden van leraren, interne begeleiding (IB) en directie op het terrein van de ondersteuning van leerlingen zijn duidelijk en transparant
  X  
  1. Er zijn afspraken over de kwaliteit en kwantiteit van de interne begeleiding
   X  
  1. Coaching en begeleiding van leraren is onderdeel van de taak van de interne begeleiding
   X  
  1. Goed onderwijs dat tegemoet komt aan uiteenlopende onderwijsbehoeften van de leerlingen
     
  1. De school heeft leerlijnen en tussendoelen vastgesteld, in elk geval voor technisch lezen, spelling, begrijpend lezen en rekenen/wiskunde en voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen
    X
  1. De school werkt met groepsplannen waarin het onderwijs op drie niveaus wordt aangeboden en wordt gewaarborgd dat alle leerlingen minimaal alle essentiële (tussen)doelen bereiken
     X
  1. De school gaat tenminste twee maal per jaar na of de leerlingen gedijen bij het onderwijsaanbod dat hen is toegewezen en stelt de groepsplannen zo nodig bij
   X  
  1. De school heeft vastgelegd wat een leerling met extra onderwijsbehoeften is
   
  1. De school volgt systematisch de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen
  X  
  1. De school signaleert vroegtijdig welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben
   X  
  1. Op basis van een analyse van de verzamelde gegevens bepaalt de school de aard van de ondersteuning voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften
   X  
  1. De school heeft vastgesteld welke ondersteuningsarrangementen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften zij kan bieden
   
  1. De leraren worden ondersteund bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van ondersteuningsarrangementen voor individuele leerlingen.
   X  
  1. De school evalueert tenminste twee maal per jaar het ondersteuningsarrangement met de ouders en de leerling
     X
  • De school stelt voor leerlingen met een “eigen leerlijn” voor één of meer vakken een ontwikkelingperspectief (OPP) vast, maakt op basis hiervan beredeneerde keuzes in te behalen tussendoelen en leerstofaanbod, evalueert het OPP tenminste twee maal per jaar en stelt dit zo nodig bij.
     X
  1. De interne ondersteuningsstructuur maakt deel uit van een dekkend netwerk van ondersteuningsmogelijkheden binnen het SWV. De school weet waar zij terecht kan in de regio voor leerlingen met extra onderwijsbehoeften en kan snel voldoende deskundigheid inschakelen voor hulp
   X  
  1. De school gaat jaarlijks na wat de effectiviteit is van de ondersteuning en van de inzet van de ondersteuningsmiddelen en stelt dit zonodig bij
     X
  1. De school draagt leerlingen zorgvuldig over. Na de overstap naar VO volgt de school de ontwikkeling van de leerlingen tot en met de overgang naar leerjaar 3, mede om de kwaliteit van het schooladvies te bewaken
   X  
 
3 De school heeft een goed pedagogisch klimaat en is fysiek en sociaal veilig Ja O
  1. In lijn met de visie op ondersteuning heeft de school vastgesteld wat zij verstaat onder een goed pedagogisch klimaat
   X  
  1. De school beschikt over (ortho)pedagogische en/of orthodidactische programma’s en methodieken die gericht zijn op sociale veiligheid en het voorkomen en aanpakken van gedragsproblemen.
   X  
  1. De school gaat met informatie over leerlingen om volgens de wet bescherming persoonsgegevens
   X  
  1. De school heeft een veiligheidsbeleid en zicht op de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel conform de normen van de inspectie
     X
  1. De school heeft beleid gericht op het voorkomen en stoppen van pestgedrag
   X  
  1. De school heeft (conform de wettelijke verplichting) een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
     X
 
4 Het team werkt gericht aan hun handelingsbekwaamheid en competenties Ja O
  1. Het personeel beschikt over didactische, organisatorische en pedagogische competenties voor de begeleiding van leerlingen met extra onderwijsbehoeften
     X
  1. Het personeel staat open voor reflectie en voor ondersteuning bij hun handelen en werkt continu aan hun handelingsgerichte vaardigheden
   ​X  
  1. Het personeel krijgt de mogelijkheid in teamverband te leren en te werken en wordt gestimuleerd en gefaciliteerd voor deelname aan lerende netwerken over de ondersteuning van leerlingen
   ​X  
  1. De school beschikt over een nascholingsplan waarin beschreven staat hoe de deskundigheidsbevordering individueel en in teamverband plaatsvindt, in samenhang met geformuleerde beleidsvoornemens/doelen in het schoolplan
   ​X  
 
5. De school werkt constructief samen met ouders Ja O
  1. De school heeft beleid geformuleerd m.b.t. toelating, verwijzing en verwijdering van leerlingen conform de nieuwe wettelijke bepalingen in artikel 40 van de WPO. De school baseert dit beleid op het eigen schoolondersteuningsprofiel en het dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen in het SWV
     X
  1. Naast de verplichte schriftelijke aanmelding voert de school met ouders een intakegesprek, waarin ouders ook gevraagd wordt naar eventuele specifieke onderwijsbehoeften van hun kind
   X  
  1. De school informeert ouders tijdig en regelmatig over de voortgang in de ontwikkeling van hun kind(eren)
   X  
  1. De school vraagt ouders regelmatig naar de wensen en verwachtingen bij de begeleiding van hun kind en naar hun ervaringen met hun kind thuis en hun kennis van de ontwikkeling van hun kind op school en thuis
     X
  1. De school betrekt ouders en leerlingen bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ondersteuningsarrangement en maakt samen met de leerling en de ouders afspraken over de begeleiding en wie waarvoor verantwoordelijk is
     X
  1. Als de school een beroep doet op externe deskundigen voor advies over, of begeleiding van de leerling, worden de ouders daarbij van het begin af aan betrokken
   X  
  1. De school ondersteunt ouders en leerlingen bij de overgang naar een andere school. Als een leerling de school verlaat, stelt de school samen met de ouders en de leerling een (onderwijskundig) rapport op. Ouders ontvangen een kopie
   X  
 
6 De school werkt effectief samen met ketenpartners en het speciaal (basis)onderwijs Ja O
  1. De interne begeleiding is verantwoordelijk voor het inschakelen van externe partners
   X  
  1. De IB bespreekt het inschakelen van externe partners vooraf met de ouders
   X  
  1. Het expertisecentrum van het SWV (collegiale consultatie (CC)vanuit de scholen voor SBO) is het eerste aanspreekpunt voor vragen omtrent leerlingen. Als sprake is van complexe problematiek stellen IB en collegiaal consulent van het expertisecentrum samen vast welke externe partners moeten worden ingeschakeld
   X  
  1. Over de samenwerking met ketenpartners in de jeugdzorg (de Centra voor Jeugd en Gezin, CJG) zijn op lokaal niveau goede afspraken gemaakt. Het CJG draagt zorg voor het organiseren van de hulp om de school
     X
  1. Een leerling met complexe problemen wordt op school besproken in een multidisciplinair overleg (MDO)
     X
  1. Het MDO bestaat in elk geval uit IB en leerkracht, CC expertisecentrum en contactpersoon CJG. Overige deelnemers zijn op afroep beschikbaar als hun deskundigheid nodig is
     X
  1. Ouders worden vanaf het begin bij de leerlingbespreking in het MDO uitgenodigd
     X

Deze inventarisatie is ingevuld door:
 
Naam school: De Ark en de Ark van Naoch op : 06-00-2014
 
In  samenspraak tussen:   X directie;  IB’er(s); leerkracht(en)  X ob ; X mb ; X bb.
Aankruisen wie heeft deelgenomen aan deze inventarisatie; zo nodig nader toelichten.
naar boven >>>
9.Download
Download hier een compleet exemplaar (*pdf, 729kb) van het Schoolondersteuningsplan.
naar boven >>>